1950s

Articles:

OVER HET KAALSCHEREN VAN HONDEN

Het is de laatste jaren een toenemende gewoonte om, zodra er een paar warme dagen aanbreken honden kaal te laten scheren, omdat men denkt, dat het dier het zo warm heeft. Ik heb zo’n idee, dat dit voortvloeit uit het zonnebaden en het streven van de mensen om in de zomer zo dun mogelijk gekleed te gaan. Met het oog op de komende zomermaanden lijkt het mij gewenst met U de nadelen van dit kaalscheren te bespreken.

Wat is eigenlijk de functie van het haarkleed?
De hond is over zijn gehele lichaam met haar bedekt, dat ingeplant staat in de huid, die voor de voeding van deze haren zorgt. Door het dicht op elkaar staan en over elkaar heen vallen van de haren wordt er een laag lucht ingesloten. Hoe dichter de haarvacht, des te beter wordt die luchtlaag vastgehouden en vormt op die manier als het ware een luchtkussen op de huid, dus om het lichaam van de hond. Nu zijn lucht en haar slechte warmtegeleiders, d.w.z.: zij nemen de warmte slechts langzaam op en planten deze langzaam voort. Zij werken dus beschermend bij temperatuursinvloeden van buiten en wel zo, dat als men een hond in een zeer koude omgeving brengt, de kou pas na enige tijd doorgedrongen is op de huid. Brengt men hem in een warme omgeving, dan duurt het eveneens enige tijd voor de hond hiervan de invloed ondervindt. Het komt dus hierop neer, dat de hond door zijn vacht voor te snelle afkoeling of te snelle verwarming behoed wordt.

De lichaamstemperatuur van een hond schommelt tussen 38 en 38,5 graad celcius. Dat deze temperatuur zo constant is, is het werk van verschillende systemen in het lichaam. In die systemen vervult de huid een zeer voorname rol. De huid is de uiterste begrenzing van het lichaam en vertegenwoordigt een groot oppervlak. In de huid bevinden zich zeer fijne bloedvaatjes, wordt het lichaam te warm dan verwijden zich deze bloedvaatjes aan het lichaamsoppervlak; het bloed stroomt dus in grotere hoeveelheid langs het oppervlak en kan daar ‘gekoeld’ worden. Bij de mens komen ook nog de in de huid aanwezige klieren in actie. Het vocht (zweet) komt op de warme huid en verdampt. Door dat verdampen wordt warmte aan de huid onttrokken en werkt zo verkoelend. Komt men nu in een koude omgeving, dan vernauwen de huidbloedvaten zich, waardoor het bloed niet te snel wordt afgekoeld. Daar een hond alleen zweetkliertjes tussen de zoolballen op de voeten heeft, is de afkoeling door transpiratie niet mogelijk. Wel kan de hond door zeer snel te ademen de luchtwisseling in de long versnellen, waardoor er waterdamp uit het bloed, dat langs de longblaasjes stroomt, onttrokken wordt en dus de long voor afkoeling zorgt. Vandaar dat de hond, die het warm heeft zo hijgt; dit is niet uit benauwdheid, doch hij ‘transpireert op zijn manier’.

Door het ontbreken van zoveel klieren in de huid is het dus duidelijk dat een hond, die men van zijn warme haarvacht ontdaan heeft, toch niet die afkoeling ondervindt, die men er mee dacht te bereiken, ja zelfs zal de directe inwerking van het zonlicht op de nu onbeschermde huid voor hem niet prettig zijn en het is juist die onbeschermde huid waar de nadruk op gelegd moet worden, want een hond die zijn vacht mist is ook niet beschermd tegen afkoeling en dat is nu iets, waarmee men in ons wisselende klimaat terdege rekening mee moet houden. Het kan twee dagen snikheet zijn, op de derde zet men de kachel weer aan. Dit is nu het voornaamste argument tegen deze kaalscheerderij. De hond wordt beroofd van zijn ‘orgaan’ dat hem tegen snelle temperatuursovergangen beschermt. Tegen een langdurige hoge of lage temperatuur beschermt hij zichzelf door in de zomer een zomerkleed en in de winter een winterpels aan te hebben. In de Tropen verliest hij het onnodige onderhaar, in de poolstreken is de ondervacht extra dicht.

Conclusie: Laat uw hond rustig in zijn vacht. Heeft hij last van de periodiek loszittende haren, laat hem dan door een deskundig trimmer hiervan bevrijden, de vacht wordt daardoor uitgedund en U bewandelt de gulden middenweg.
Dit laatste slaat natuurlijk niet op Samojeden (redactie poolhondenclub).

Overgenomen uit De Hondenwereld van 1 juli 1950 met goedvinden van Dr H.J. Stol te Leiden en de redactie van de Hondenwereld.